Klimaatslim tuinieren

Hoe maak je je tuin natuurvriendelijk en toekomstbestendig? Afgelopen week is een boek verschenen van Wilde Weelde tuinontwerper Moniek de Bakker met heel veel praktische voorbeelden en illustrerende foto’s van Anneke Beemer. De beginnende tuinliefhebber kan met dit boek zelf aan de slag om de tuin klimaatslim in te richten, op een manier die je niet meer werk oplevert, maar vooral meer plezier. Ze introduceren daarmee ook een nieuwe term, ‘luinieren’. Niet te netjes en daardoor natuurlijker.

Het begint met je tuin zo in te richten dat die een extreme hoosbui kan opvangen en een langere periode van droogte kan doorstaan. Je tuin ‘ontstenen’ en de hoofdrol aan planten geven. In dit eerste hoofdstuk vind je van alles over alternatieve verhardingen, hoe je het regenwater opvangt of hoe je een wadi aanlegt. Daarbij geeft Moniek gelijk een rijtje met inheemse planten die zich in een wadi thuis voelen, zoals beemdkroon, grote kattenstaart of lange ereprijs. In de hoofdstukken erna volgen nog veel meer plantencombinaties. Want naast de stap van grijs naar groen, ga je aan de slag met het vergroten van de biodiversiteit door een gevarieerde tuin te maken met verschillende biotopen. Denk aan een zonnige border, een bloemenweide, een rommelhoekje met schaduw onder een boom, een haag in plaats van schutting en ook een watervoorziening voor de dieren als een vijver of ondiepe schaal. Op deze manier wordt de tuin een ecosysteem waarbij alles wat leeft in de tuin is verbonden, van bacteriën en schimmels in de bodem, insecten, vogels maar ook kikkers, salamanders, egels en vleermuizen. Voor hen zijn inheemse planten cruciaal, zodat ze het hele jaar door eten kunnen vinden in de tuin. In het boek staan prachtige foto’s van vlinders. Als je die in je tuin wilt, dan zorg je voor de juiste nectarbloemen en laat je ook de brandnetel in een hoekje staan, een favoriete waardplant voor veel soorten.

Alle tuinoppervlaktes in Nederland kunnen bijdragen aan meer natuurlijke leefruimte als ze worden ingericht als ecosystemen. Omdat alle beetjes helpen, sluit Moniek af met een hoofdstuk over tuinieren op niveau met heel veel tips voor de balkonbezitter.

Auteur: Moniek de Bakker, Tuin van de buren

Uitgeverij: TERRA ISBN 9789089899552

Recensie van Sylvia Avontuur

Zonder donker geen licht

Heeft de teloorgang van de biodiversiteit in Nederland, die tot de beroerdste van Europa behoort, en de overgevoeligheid van alle levende organismes voor kunstlicht ’s nachts een verband? Nederland is het lichtste land op aarde. Kunnen we onze omgang met kunstlicht heroverwegen?

Van nature is de bedoeling dat wij, als dagdieren, ’s nachts slapen. De steeds grootschaliger inzet van elektriciteit heeft de 24 uurs economie doen opbloeien tot op het huidige moment waarop wij helemaal geen rekening meer hoeven te houden met het natuurlijke dag-nacht ritme van onszelf en van alle organismen om ons heen.

Ja maar, wij willen ’s nachts toch wat kunnen zien en dan hebben we licht nodig!

Wat is hiervoor de oplossing?

1)  Natuur op 1

Als eerste wil ik voorstellen om rekening te houden met andere levende wezens. Jezelf als mens iets bescheidener opstellen. Als je ’s nachts niet buiten actief bent, dan graag het licht uit.

De eerste vraag is dan ook: Is het wel nodig om te verlichten? Natuurlijk is het fijn als ik ’s nachts mijn hele tuin in het licht zet. Dan kan ik vanuit binnen nog lekker naar buiten kijken. Maar wil je de natuur op die manier belasten? Een subtielere manier van verlichten is het creëren van contrasten met bijvoorbeeld bladkleur en bestrating. Als het kunstlicht wegvalt, wordt het natuurlijke licht ’s nachts zichtbaar in de vorm van meer of minder diepe schaduwen gecreëerd door de maan en sterren. De verlichting is dan afhankelijk van het tijdstip en het weer.

2) Aansturing

Als je besluit dat je toch echt kunstlicht nodig hebt, omdat je buiten op je terras of in de tuin nog een boek wilt lezen of gezellig met elkaar wilt samenzijn, dan is verlichting natuurlijk prima.

Tegenwoordig is (bijna) alle tuin- en buitenverlichting LED. Het voordeel is dat deze verlichting heel zuinig is, waardoor de neiging ontstaat om de lampen dan maar de hele tijd aan te laten. Doe dat niet! Zorg dat je de verlichting uitschakelt als je binnen bent.

Dit kan met een schakelaar of met een bewegingsensor (passief infra rood – PIR). Vaak kun je aan de sensor een tijd instellen voor hoe lang je de verlichting aan wilt laten na activering.  Het hoeft geen knipperlicht te zijn. Dus geen schemerschakelaar, want deze brandt de hele nacht met alle negatieve gevolgen van dien.

3) Veiligheid

Je wilt natuurlijk veilig naar de voordeur kunnen lopen en het sleutelgat kunnen zien. Ook wil je bezoek welkom heten. Een lamp bij de voordeur die bezoek verwelkomt, is prachtig.

Traptreden en hoogteverschillen kunnen met lage verlichting op een sensor veiligheid bieden. Zorgen voor contrast in kleur en materiaal is een hele goede hulp om in het donker je weg te vinden. Denk aan lichte bestrating met donkere beplanting erlangs, of omgekeerd.

4) Verkeer

Het type verkeer dat gebruik maakt van het terrein of de tuin bepaalt ook wat je kunt doen met verlichting. Bij een oprit voor auto’s (gemotoriseerd vervoer met verlichting) zijn reflectoren uitermate geschikt voor passieve verlichting. De koplampen verlichten zo zelf de route. Voor voetgangers en fietsen is een contrast tussen bestrating en begroeiing belangrijk om het pad of weg aan te geven. Actieve verlichting is dan vrijwel onnodig.

5) Type & Plaatsing

Hoe minder strooilicht en verblinding hoe beter. Een uplight die in een boom schijnt is prachtig, maar verstoort de boom en het habitat van al het leven in die boom.

Zorg daarom voor armaturen die omlaag schijnen en liefst zo laag mogelijk gemonteerd. Bijvoorbeeld kleine lage paaltjes langs een pad. Een opbouw spot onder een overstek met gericht licht omlaag. Een wandlamp die strijklicht langs de gevel geeft in plaats van licht naar voren zodat licht vervuiling, verblinding en strooilicht minimaal is.

6) Techniek

Zoals gezegd is alle kunstlicht ’s nachts slecht voor de natuur maar voor veel organismen maakt de kleur van het licht ook nog een groot verschil door verschillen in gevoeligheid van het elektromagnetisch spectrum.

Als je dan toch wilt verlichten, doe dat dan met licht met zo min mogelijk blauw in het kleurenspectrum. Het vervelende is dat het kleurenspectrum (nog) niet standaard bij LED lichtbronnen wordt vermeld. Tot die tijd worden lampen met een warme lichtkleur van bijvoorbeeld 2700K (graden kelvin) of lager geadviseerd. Amber is ook goed. De kleurweergave (kleurechtheid) is dan wel minder, maar dat is in een tuin of buiten minder kritisch.

NB: Als je de zuinigste LED verlichting zoekt is dat vaak juist de ‘koud’ witte LED, hier zit veel blauw in en dat is dus ongewenst. Vleermuizen worden met name door het blauwe spectrum verstoort.

Conclusie

Het tegenstrijdige van verlichting is dat hoe minder kunstlicht er in de nacht is, hoe meer je kunt zien, omdat onze ogen zich  aanpassen aan het lage lichtniveau. Denk aan een wandeling in de bergen, waar de Melkweg en de maan het landschap laten oplichten in het donker. Onze ogen zijn waanzinnig goed in waarnemen bij weinig licht, maar zodra er een felle lichtbron aanwezig is, sluiten onze pupillen en zijn we weer blind voor de omgeving.

Dus, wees zuinig met licht. Willen we de natuur in onze tuinen echt een handje helpen, dan willen we af van tegels, schuttingen en verlichting, en naar meer begroeiing, heggen en donkerte.

Tekst: Siegrid Siderius van SiSi natuur
Siegrid Siderius van SiSi natuur is al jaren werkzaam als architecturaal lichtontwerper bij SiSi (www.sisi.amsterdam)
SiSi lichtontwerp richt zich naast verlichten ook op het verduisteren van de nacht met zorgvuldige inpassing van kunstlicht in de openbare ruimte.

Compost

Compost in je tuin: hou de grond gezond!

Composteren is een natuurlijk proces waarbij organische tuin- en keukenresten worden omgezet in een vezelrijk product: compost. Die organische restmaterialen uit tuin en keuken verzamel en meng je op een hoop of in een ton. Kleine bodemdieren, bacteriën en schimmels doen daar het verteringswerk. Ze hebben naast voeding ook lucht en vocht nodig, net als wij. De organismen maken alle resten kleiner en kleiner, tot er uiteindelijk een kruimelig, vochtig en bruin mengsel ontstaat: compost.

Compost van goede kwaliteit ruikt naar bosgrond. Je kunt het als meststof gebruiken in de tuin en bij potplanten. De vezels in de compost zijn goed voor het verbeteren van de bodemstructuur en de voedingsstoffen zijn makkelijk opneembaar door de planten.

De opzet van een composthoop en het vullen van een vat is hetzelfde:
Onderin komt een laag houtig en absorberend materiaal, bijvoorbeeld houtsnippers of blad. Daarop een laag wat langere takjes of droge stengels, voor wat luchtigheid. Dan volgen afwisselend lagen zogenaamde groene en bruine materialen. Niet aanstampen, de organismen hebben zuurstof nodig.

Groene en bruine materialen

Groene materialen zijn alle verse, vochtige, rauwe, onbewerkte resten uit keuken en tuin. Deze zijn stikstof- en voedselrijk. Bruine materialen zijn droge resten, vooral houtige delen en droog blad. Deze zijn koolstofrijk en voedselarm. Zorg altijd dat de bruine laag wat vochtig is, anders kunnen de compost-organismen er niets mee aanvangen. De laatste, bovenste laag op de hoop is altijd een bruine laag of een dunne laag grasmaaisel. Deze dempt de temperatuurverschillen een beetje en voorkomt vliegen. Eventueel nog afdekken met een oude deken of tapijt van organisch luchtdoorlatend materiaal tegen uitdrogen.

Miljarden (mircro)organismen

In de lucht, in de bodem en op de materialen die je op de composthoop brengt, leven al verschillende soorten (micro)organismen. Je hoeft niets extra’s te doen om die erin te brengen. Ze gaan aan de slag zodra er water, voedsel en lucht voorhanden is. De meesten zijn onzichtbaar zonder microscoop, ze vermeerderen zich snel als de omstandigheden goed zijn en er leven er uiteindelijk miljarden in een hoop.

En nu komt het…

Als de hoop stukje bij beetje groeit, en er steeds een laagje groen en bruin wordt opgebracht dan gaan al die organismen aan de slag. Ook grotere organismen zoals pissebedden, duizendpoten en compostwormen weten de hoop te vinden. Er ontstaat een samenleving van eten en gegeten worden. Die grotere, zichtbare organismen zijn een teken dat het goed leven is in de hoop: er is voldoende lucht, water en voedsel. Ook in het compostvat gaat het zo.

Heb je in korte tijd genoeg groene en bruine materialen bij elkaar om een hoop van circa een kubieke meter op te zetten, dan zal de temperatuur in die hoop snel oplopen. Soms tot boven de 70 graden. Dat komt doordat de micro-organismen, vooral bacteriën en schimmels, enorm hard werken en daarbij warmte ontwikkelen. Die kan niet zo snel weg uit het binnenste van de hoop en gaat “broeien”. Bij temperaturen van 60 tot 70 graden sterven ziektekiemen, zaden en plantencellen. Dat is gunstig, want vaak komen er wel wat zaken zoals zieke planten en ongewenste kruiden op de hoop terecht. Die worden dan later niet met de compost over de tuin verspreid.

De warme hoop zet je om zodra de temperatuur weer onder de 50 graden komt. Wat binnenin zat, haal je naar buiten en wat buiten zat, komt nu binnenin en tot broei. Dit wordt een paar keer herhaald, tot de temperatuur niet meer boven de 45 graden komt. Dan laat je de hoop rusten. De grote, zichtbare organismen komen pas na afkoelen op deze hoop af. Ze zouden sterven door de hitte.

Voor- en nadelen

Koud composteren doe je beetje bij beetje, zodra je wat materiaal hebt. Als de compostbak vol is, zet je hem een keer om en na een paar maanden nog eens. Zo komt al het materiaal een keer binnenin de hoop. Het duurt zeker een jaar voordat de compost rijp is. Pas op voor ziekten, zaden en woekerende wortels. Deze worden niet of maar gedeeltelijk gedood. Warm composteren gaat lekker snel, het is soms al in drie maanden gebruiksklaar. Je moet er wel wat voor doen: het temperatuurverloop bepaalt wanneer en hoe vaak je de hoop moet omzetten. Een beetje afhankelijk van de gebruikte ingrediënten wel 7 tot 10 keer.

Tip: is er veel aanvoer, maar geen zin of tijd voor warm composteren, start dan meerdere koude hopen tegelijk en maak slechts een warme voor ziek en ander problematisch materiaal.
Weetje: zowel voor koud als warm composteren heb je werkruimte nodig: tenminste drie bakken naast elkaar. Een in de opbouw, een omgezette en een met afrijpende compost. Een compostvat is alleenstaand. Die kun je naar wens op verschillende plekken in de tuin zetten. Beter wel een voor een vullen; dan schiet het composteren tenminste op.

Composteren en de bodem

Compost verbetert de bodemstructuur. In een zandgrond breng je voedingsstoffen en ontstaat er meer samenhang en watervasthoudend vermogen, in een kleigrond brengen de vezels lucht.

Méér compost is niet persé beter. Je brengt immers ook voedingsstoffen op. Er is kans op overbemesting. Dit gaat dan met regen mee naar het grondwater of de sloot. Zonde.

In siertuinen is een gift van 0,5 tot 1 cm compost per jaar voldoende, zeker als je afgevallen blad laat liggen. Bij een nieuwe moestuin is het zinvol om een bodemmonster te laten analyseren. Dan heb je een indruk waar en hoe je je kostbare eigen compost het beste kunt inzetten. En natuurlijk ook aan welk type compost je het meest behoefte hebt: vooral structuur verbeterend of ook voedingsstoffen aanvullend.

Tekst: Caroline de Vlaam

Knotbomen

Wat is een knotboom
Een knotboom is een boom die al van jongs af aan op een bepaalde hoogte afgeknipt (getopt) is. Op deze zogenaamde knot loopt de boom weer uit met allemaal nieuwe scheutjes. Deze worden vervolgens periodiek gesnoeid tot op de knot. Afhankelijk van het beeld dat je wilt, wordt een boom op een hoogte tussen de 1,5 tot 2,5 meter getopt, maar er zijn ook voorbeelden van hoge knotbomen die een stamhoogte hebben van 4 tot 6 meter.

Knotbomen worden soms in een rij geplaatst, maar ze kunnen ook heel goed solitair. Als je er een rij van wilt maken, is de hoogte van de stam veelal ongeveer gelijk en staan ze op gelijke onderlinge afstand. In alle tuinstijlen passen knotbomen. Als een knotboom ouder wordt, heeft deze vaak een hoge natuurwaarde doordat er holtes ontstaan en doordat er binnen in de boom, het zogenaamde kernhout, delen afsterven.

Knotbomen in Appeltern Adventure Gardens

Nut of sierwaarde?
Van vroeger uit werden knotbomen geplaatst om de wind tegen te houden, als schaduwboom of laanboom toegepast aan de voorzijde van een huis, langs landerijen, in tuinen of op verdedigingswerken. Elsen worden vaak in knotvorm langs boomgaarden gezet. Een rij knotbomen kan ook als afscheiding dienen voor de rest van de tuin. Solitair staande knotbomen werden in tuinen wel als sierboom toegepast. Daar werden dan vaak bloeirijke of bontbladige soorten bomen voor gebruikt. Je kunt denken aan het knotten van sierkersen, Robinia en bijvoorbeeld bontbladige Acer campestre.

Welke soorten?
Vaak zien we wilgen die gebruikt worden om te knotten; ze lenen zich hier heel goed voor. De wilg moet wel in een wat nattere grond staan en dat kan niet overal. Bomen die ook als knotboom kunnen worden ingezet, zijn es, esdoorn, populier, els, eik, linde, haagbeuk, berk en iep.

Vroeger werd de witte moerbei geknot om de zijderupsen te telen. Het blad is het voedsel van de rups. Bij een talud van een sloot werden knotbomen als wilgen en populieren geplant, omdat het wortelgestel de grond vasthoudt. Het snoeihout van de wilgen werd als geriefhout (= voor eigen gebruik om te stoken of bijvoorbeeld manden van te vlechten of handvaten voor hakbijlen) gebruikt.

Historisch beeld
– Opgaande (onder)stam zonder zijscheuten óf stam met geknotte gesteltakken.
– Knotbomen kunnen als ze oud worden onregelmatig eruit gaan zien, een knoestige vorm krijgen.
– Het hout boven de knot bestaat uit nutshout of uit hout met een sierwaarde als bontbladigheid, bloei of vrucht.
– De hoogte van de knotaanzet varieert.
– Knotbomen zijn goed onderhouden en periodiek gesnoeid.
– Een rij knotbomen geeft vaak een uniform beeld en staan meestal op gelijke afstand van elkaar.

De laag onder de knotbomen, de zogenaamde kruidlaag, kan bestaan uit gazon of extensief beheerd kruidenrijk grasland, soms met stinzenplanten.

Hoe knot je?

  • Snoei alle twijgen tot op de knot of gesteltakken terug met snoeischaar of (elektrische) boomzaag.
  • Zaag te dikke takken eerst verder van de stam af, dit voorkomt inscheuren. Zaag de stomp daarna af tot de gewenste hoogte.
  • Verwijder wortelopslag en ‘wilde’ uitlopers aan de onderstam of knip ze (bij linde) tot een ‘stoel’ (0.75 tot 1 meter hoog).
  • Snoei periodiek (jaarlijks tot eens per drie tot vijf jaar) in de winterperiode, afhankelijk van de groeikracht en boomsoort.
  • Soorten die gevoelig zijn voor bloeden, worden in het groeiseizoen geknot (esdoorn, berk, haagbeuk).
  • Witte moerbei is gevoelig voor invriezen, ook deze wordt in het late voorjaar of zomer geknot

Als je meerdere knotbomen hebt, is het vanuit oogpunt van de biodiversiteit verstandig om de beurt te knotten; zo zorg je ervoor dat er altijd wat te halen halt voor insecten. Het ene jaar de oneven bomen en het andere jaar de even bomen. Met name de vroeg bloeiende soorten (wilg) kunnen op deze manier toch ieder jaar in voedsel voorzien waardoor wilde bijen kunnen voortbestaan.

Willow, wilg

Wil je meer lezen over knotbomen? Het knotbomenboek voor Nederland en Vlaanderen, P. Minkjan, M. Kruk, 2010, KNNV uitgeverij, Zeist.

Vogelbosjes in je tuin: een garantie op het spotten van veel vogels!

Je hebt vast al eens gehoord van de 4 V’s waar een tuin aan moet voldoen om veel vogels te lokken: Voedsel, Veiligheid, Voortplanting en Variatie. Vogels komen vooral naar jouw tuin als aan alle vier deze voorwaarden is voldaan. Als één van de vier ontbreekt, komen ze niet of veel minder. De meest eenvoudige manier om in jouw tuin te voldoen aan deze vier V’s is het planten van een vogelbosje.

Vogelbosje in de Wilde Weelde Wereld op Appeltern

In de Wilde Weelde tuin op Appeltern kun je een mooi voorbeeld zien van zo’n vogelbosje: het Koekoeksbos. Daar kun je meteen zien dat vogelvriendelijke tuinen ook fijn zijn voor kinderen.  Voor de vogels is er volop schuilmogelijkheid en voedsel te vinden in de fruitbomen en bosjes met inheemse struiken, zoals rode bes, doornloze braam en framboos. Voor de kinderen zijn er boomstammen, spannende verstopplekjes en hutjes in de vorm van vogelnestjes, waar je in kunt klimmen. Ook kunnen kinderen, net als de vogels, snoepen van het eetbare fruit wat er groeit.

Hoe maak je zelf een vogelbosje?

Plant inheemse, besdragende struiken, als een aaneensluitende laag van enkele meters hoog, hoe breder, hoe beter.

Deze struiken bloeien al vroeg in het voorjaar, waardoor ze insecten lokken, die tot Voedsel dienen van onze insectenetende vogels, zoals winterkoning, roodborst, heggenmus en zwartkop. In deze tijd zoeken veel vogels eiwitrijk voedsel om aan hun jongen te voeren en deze insecten voorzien voor een groot deel in deze behoefte. In het najaar dragen de struiken vruchten, die voor vogels als kramsvogel, spreeuw, merel, zanglijster en koperwiek belangrijk voedsel vormen om op te vetten voor de winter.

Als de struiken volgroeid zijn, kan hun dichte takkenstructuur ervoor zorgen dat er voldoende schuilmogelijkheid is, waardoor vogels kunnen wegvluchten bij gevaar (Veiligheid) en hun nest kunnen bouwen op een onopvallende plaats (Voortplanting). De Variatie in soorten beplanting zorgt ervoor dat er jaarrond voedsel te vinden is voor de vogels. Heb je voldoende ruimte? Maak dan een paadje tussen de vogelbosjes, of maak van een ronde takkenril een mooie schuilplek voor je kinderen. De beste tijd om inheemse struiken te planten is het najaar of winter (als het niet vriest).

Welke struiken kun je aanplanten?

Kies een mix van bladverliezende en wintergroene inheemse struiken. Kijk in de bessenkalender van Vogelbescherming Nederland voor jaarrond besdragende struiken, zodat de vogels het hele jaar door voedsel in jouw tuin kunnen vinden: https://www.vogelbescherming.nl/in-mijn-tuin/tuininrichting/populaire-bessenstruiken-bij-vogels

De Gelderse roos (Viburnum opulus) draagt bessen die pas in de winter gegeten worden door vooral de merel. En als je geluk hebt, komen er pestvogels op af, die soms ons land in de winter bezoeken. Als neststruik is deze soort ongeschikt, vanwege de open structuur.
Ook de klimop, die je als struikvorm kunt kopen (Hedera helix arborescens), is waardevol, omdat dit een van de laatst bloeiende struiken in de herfst is en bessen draagt in maart/april, wanneer er verder niet zoveel bessen te vinden zijn.
De meidoorn (Crataegus monogyna) is een goede keuze, ook voor kleinere tuinen. Ze laat zich goed snoeien, de bloemen trekken veel insecten aan, in de doornige takken kunnen vogels goed schuilen en hun nest bouwen. En in de winter worden de bessen graag gegeten door veel vogels.

De kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) mag zeker niet ontbreken, al was het maar om zijn prachtige rode bessen (giftig), waar de plant zijn naam aan verdient. Je zult hier vaak een merel op aantreffen die de bessen van de struik grist.
Heb je maar weinig ruimte? Plant dan zeker de vuilboom/Sporkehout (Rhamnus frangula). Deze draagt het hele jaar door zowel bloemen als bessen en is daardoor ook een goede drachtplant voor bijen. Verder is het een belangrijke waardplant voor de citroenvlinder en het boomblauwtje.
Ook een goede keuze zijn vruchtdragende struiken die je zelf kunt eten, zoals appel, aalbes, framboos, zwarte bes, kers, hazelaar.

Een leuke ouderwetse plant, die weer helemaal hip is en die ook eetbaar is, is de mispel (Mespilus germanica). In mijn tuin lusten de merels er wel pap van.
Zoek je wintergroene struiken, kies dan voor taxus (Taxus baccata), hulst (Ilex aquifolium) (beide giftig, pas op met kleine kinderen). Heb je in je buurt veel last van katten? Kies dan voor een stekelige struik, zoals meidoorn, zuurbes (Berberis vulgaris) of hondsroos (Rosa canina).

Hoe vaker je de struiken snoeit (in het winterseizoen), hoe dichter en ondoordringbaarder de struiken worden voor predatoren als katten en sperwers. Denk er wel aan, dat bij veel snoeien de struiken niet bloeien, en dan ook geen bessen dragen. Snoei daarom gefaseerd, laat altijd een deel van de struiken doorgroeien.

Plant je de struiken zó, dat je ze vanuit huis goed kunt zien, leun dan in de herfst en winter achterover, en kijk wat voor soorten vogels er allemaal in je tuin komen.

Luci van Engelen – Tuinen van Engelen

Klimop

Laatst wandelde ik in een fraai herfstbos. Opeens hoorde ik allemaal gezoem. Omhoog kijkend had ik al snel door wie de veroorzaker was:  bloeiende klimop!

Klimop (Hedera helix) is een plant die enorm veel levende have kan herbergen. Meest opvallend is dat in de herfst. Als een van de laatste bloeiende planten is het een magneet voor bijen, wespen, vliegen en late dagvlinders. Tussen de warrige takken vinden allerlei insecten, ook citroenvlinders in de winter een goede schuilplek. Vogels van winterkoning tot goudvink maken er hun nest in. Ook een uil kan zich overdag goed tussen de takken verstoppen. De klimopbij is een zeldzame wilde bij die afhankelijk is van bloeiende klimop als voedsel voor haar broed. Het is een zuidelijke soort die tot nu toe vrij zeldzaam is in Zuid-Nederland. Klimop is ook een van de waardplanten voor het boomblauwtje. In de late winter rijpen de zwarte bessen. Dat is een welkom maaltje voor merels en duiven.

Ondanks de grote waarde voor de biodiversiteit heeft klimop niet bij iedereen een goede naam. De hechtworteltjes waarmee hij zich vasthoudt worden gevreesd.  Als er scheuren in de muur zitten kunnen de takken daarin kruipen. Op een houten kozijn kunnen de hechtworteltjes lelijke plekken achter laten die er moeilijk afgaan. Op een stevige muur kan klimop geen kwaad. Doordat klimop groenblijvend is, werkt het zelfs als isolatie. Klimop kun je prima wegknippen bij de kozijnen en op andere niet gewenste plaatsen.

Voor een gezonde, volwassen boom is klimop niet schadelijk. Als je naar klimop in volwassen bomen kijkt, dan zie je dat het gewicht dicht tegen de stam zit. Klimop groeit nooit in de dunne takken, maar blijft als de mouwen van een trui om de dikste takken zitten. Een boom kan juist ook voordeel hebben. Beuken zijn gevoelig voor zonnebrand als omringende bomen omgezaagd worden. Een jasje van klimop is dan een prima bescherming.

Klimop heeft een bijzondere groeiwijze. Als de plant ouder wordt dan verandert het blad van vorm. Bovenin verandert het handvormige blad naar ruitvormig en de plant gaat bloeien. Let er maar eens op, de bloeistengels hebben altijd ruitvormige bladeren. Die bloeistengels hebben nog een bijzonderheid. Als je ze stekt dan klimmen ze niet meer maar blijven in struikvorm groeien en bloeien. Deze vorm staat bekend als Hedera helix ‘Arborescens’.

Klimop is een makkelijke groeier, in gewone tuingrond doet ie het prima. Hij wordt dan ook vaak gebruikt om hekken van betongaas te laten begroeien. Af en toe bijknippen en je hebt snel een dichte afscheiding. Snoei daarbij niet steeds de bovenzijde , maar laat deze in bloei komen,  insecten zijn er gelukkig mee!

Je kunt ook proberen om klimopbremraap bij de wortels te zaaien. Deze parasiet heeft zelf geen bladgroen en maakt dus ook geen eigen voedsel. Daarvoor is hij afhankelijk van z’n gastheer, klimop. Na het zaaien moeten de worteltjes eerst ondergronds verbinding maken met de klimopwortel om zich verder te kunnen ontwikkelen. Na een paar jaar heb je dan kans dat opeens de bloemstengels van deze fraaie parasiet tevoorschijn komen. In het wild best zeldzaam, maar in tuinen komen ze regelmatig voor. Klimop is een sterke plant, van klimopbremraap ondervindt hij weinig hinder.

Tekst: Machteld Klees, Bureau Zonneklaar

Wat zijn muurplanten en waar komen ze voor?

Muurplanten zijn plantensoorten die groeien op muren en zich onder deze bijzondere omstandigheden goed kunnen handhaven. Veel van deze soorten komen van nature voor op rotsen in bergachtige gebieden als de Alpen en Pyreneeën.

Rotsplanten en muurplanten  lijken wel een beetje op elkaar. De groep van rotsplanten is wel groter. Rotsplanten groeien zowel in de grond als in rotsspleten. Muurplanten groeien van nature bij voorkeur in rotsspleten.

In ons land zijn muurplanten te vinden op oude muren zoals fruitmuren, kademuren, gemetselde waterputten en muren van kastelen tussen verweerde bakstenen en oude kalkmortelvoegen. Ze hebben zich hier in het verleden meestal spontaan gevestigd. Tegenwoordig worden een aantal soorten als zeldzaam beschouwd. Samen met verschillende korstmossen en mossen hebben ze een beschermde status (Rode lijst soorten).

Ook in tuinen komen muurplanten voor. In het begin van de 20e eeuw werd de aanleg van rotstuinen populair. Tijdens reisjes naar de bergen in Oostenrijk en Zwitserland verzamelde men rotsplanten en zelfs complete rotsblokken. In tuinen verschenen dan rotsachtige bergjes met beplanting; er kon zelfs nog een bergbeekje doorheen lopen. In dezelfde periode, tijdens de Architectonische tuinstijl werden veel lage stapelmuren, bloembakken en keermuren in tuinen toegepast.

Soorten muurplanten

Muurplanten kunnen eenjarig of vaste planten zijn. Onder muurplanten zitten ook een aantal soorten varens. Een zeer bekende muurplant is, de naam zegt het al: de muurbloem (Erysimum cheiri). Deze soort stamt oorspronkelijk uit het oostelijk Middellandse zeegebied en is door de Romeinen in Europa verspreid als sierplant en geneeskruid. In de Middeleeuwen bereikte de muurbloem ook Nederland.Vetplanten zoals vetkruid en huislook (Sempervivum tectorum) werden op bovenkanten van muren aangebracht. Volgens volksgeloof beschermde een pol huislook op het dak tegen blikseminslag. Deze soort werd ook wel donderblad genoemd.

Een voorbeeld van een recent ingeburgerde muurplant is de muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus). Deze oorspronkelijk Midden-Amerikaanse plant kwam in de 19e eeuw als sierplant in Zuid-Europa terecht en verspreide zich, deels geholpen door tuiniers, naar het noorden. In 1993 wordt de eerste spontane vestiging gemeld in Amsterdam. Inmiddels is deze kleurige en bloeirijke plant vrij algemeen in stedelijke omgeving.

Toepassing
Muurplanten stellen verschillende eisen aan hun standplaats. Ze groeien graag op stenige plaatsen omdat ze daar weinig concurrentie hebben van andere sterker groeiende planten. Tussen hoge en dichte vegetatie laten ze het snel afweten. Sommige soorten, zoals muurbloem (Erysimum cheiri) en echte muurvaren (Asplenium ruta-muraria) vestigen zich bij voorkeur aan de zonkant; andere soorten, zoals muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis), gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) en verschillende soorten varens, groeien juist op schaduwrijke muren.

Ideale omstandigheden voor muurplanten zijn keermuren die aan de achterzijde tegen een grondlichaam rusten of met hun fundatie in het water staan zoals kademuren. Die muren  blijven altijd voldoende vochtig en via kleine spleten in een poreuze verweerde steen kunnen de wortels van de planten op zoek naar vocht. Nieuwe gemetselde muren met harde steen en voegmortel zijn ongeschikt voor muurplanten.

In stapelmuren moeten de planten ook contact kunnen maken met vochtig substraat. Sterk poreuze steen bevat soms genoeg vocht om kieming van varens mogelijk te maken. Maar een volwassen varen met zijn potkluitje zomaar ingeplant in een voeg van een droge stapelmuur van betontegels verdroogt. Bij stapelmuren is contact met een achterliggend grondlichaam belangrijk. Ook een dubbele stapelmuur met een kern van los zand-puin en organisch substraat is een goede mogelijkheid.

Regenwater moet de planten kunnen bereiken. Een strakke rechte verticale muur waar ook aan de bovenzijde geen water in kan lopen werkt niet. Regenwater kan bij een constructie waarbij de stenen iets hellend naar achteren leunen via de steen de muur insijpelen en daar het substraat en de plantenwortels bereiken.  

.

Het beste resultaat wordt bereikt als de muur al tijdens het bouwen wordt ingeplant. Je kunt dan de wortelkluitjes van de planten direct contact geven met achterliggende grond voor je de volgende laag stapelt. Vul je achteraf de opengelaten gaten met jonge planten zorg dan in het gat voor goede aansluiting op het substraat en geef je jonge plant in de eerste tijd voldoende water. Bedenk dat een eenmaal uitgedroogde wortelkluit in een muur nauwelijks meer water kan opnemen. Als substraat gebruiken we een humusarm materiaal. Een substraat met fijn gebroken puin, lava, zand, leem en een beperkte hoeveelheid compost of verteerde bladaarde is het meest geschikt. Ook substraat voor dakvegetatie is goed te gebruiken. Organisch substraat met veel turf of bladaarde is niet geschikt; het verteert snel en droogt ook gemakkelijk uit. Bovendien klinkt het in waardoor een stapelmuur instabiel kan worden

Het is ook mogelijk om muurplanten in te zaaien in een (stapel)muur. Je kunt zaden vermengen met substraat en dat aanbrengen in de openingen of bovenzijde van de muur. Ook hier geldt dat er voldoende contact met vocht en voeding moet zijn. Zomaar een kleipapje met zaad op een droge muur komt zelden tot ontwikkeling. Zijn planten eenmaal gevestigd en biedt de muur geschikte nog niet bezette groeiplekken, dan zullen ze zichzelf in de muur via zaad of uitlopers gaan verspreiden.  

Meer weten en zien? 

In de Wilde Weelde Wereld in Appeltern adventure Gardens is in het Stinzenbos een ‘ruïne’ gestapeld met restantmateriaal. In de spleten en gaten van de ruïne groeien inheemse plantensoorten. Deze ‘muurplanten’ zijn deels aangeplant maar hebben zich ook spontaan gevestigd.

In de onderaan bijgevoegde tabel vind je een lijst van de meest voorkomende muurplanten.

Het voorkomen van de Nederlandse muurplanten wordt intensief gemonitord door FLORON. Op sites als waarneming.nl en verspreidingsatlas.nl kun je de verspreiding van muurplanten in Nederland vinden. In de Stadsflora van de lage landen (Ton Denters, 2020) staan goede beschrijvingen van muurplanten en van de plekken waar deze voorkomen.

Tekst: Ruurd van Donkelaar van: van Donkelaar Groenadvies

Bijlage

Soortenlijst van de belangrijkste muurplanten
Muurplanten in metselwerk in spleten en voegen          metselwerk           stapelmuur        zon        schaduw
Muurplanten in stapelmuren en uitsparingen in metselwerk met achterliggend substraat
Wetenschappelijke naamNederlandse naamherkomstintroductie
Alyssum saxatileRotsschildzaadMidden- en Zuid-Europa1680xx
Asplenium ruta-murariaMuurvareninheems xxx
Asplenium scolopendriumTongvareninheems xxx
Asplenium trichomanesSteenbreekvareninheems xxx
Aubrieta deltoideaAubrietiaZuid- en Oost-Europa1710xx
Campanula porscharskyanaKruipklokjeBalkan1928xxx
Centranthus ruberSpoorbloemMiddellandse Zeegebied1557xx
Cymbalaria muralisMuurleeuwenbekZuid-Europa17e eeuwxxxx
Dryopteris filix-masMannetjesvareninheems xx
Erigeron karvinskianusMuurfijnstraalMidden-Amerika20e eeuwxxx
Erysimum cheiriMuurbloemMiddellandse Zeegebiedoudheidxxx
Gymnocarpium dryopterisGebogen driehoeksvareninheems xx x
Hieracium amplexicauleStengelomvattend havikskruidinheems xxx
Hieracium murorumMuurhavikskruidinheems xxx
Iberis sempervirensScheefkelkZuid-Europa1679xx
Mycelis muralisMuurslainheems  x x
Parietaria judaicaKlein glaskruidinheems xxx
Polypodium vulgareEikvareninheems xxx
Polystichum aculeatumStijve naaldvareninheems xx
Polystichum setiferumZachte naaldvareninheems xx
Pseudofumaria luteaGele helmbloemMidden-Europa1596xxx
Sedum acreMuurpeperinheems xxx
Sedum albumWit vetkruidinheems xxx
Sedum rupestreTripmadaminheems xxx
Sedum spuriumRoze vetkruidKaukasus1816xx
Sempervivum tectorumHuislookMidden- en Zuid-Europaoudheidxxx

Tips voor een heldere, ecologische vijver

1: Meer groen in de vijver

Een tuin kun je ontwerpen en zien als een eigen ecosysteem, wat helpt om te begrijpen hoe het reageert op en omgaat met veranderingen. Voor een vijver geldt dat net zo. Zo heeft iedere plantgroep zijn eigen functie voor de waterkwaliteit, de micro-organismen die erin kunnen leven én voor het vormen van habitat voor een breed scala aan diertjes. Ieder levend organisme maakt deel uit van de voedselketen. Onderaan staan de algen en de planten, die zonlicht in combinatie met de stoffen in het water en de vijverbodem omzetten naar energie, plantmateriaal en zuurstof. Alle andere diertjes en micro-organismen leven daar weer op. Wat afsterft wordt afgebroken door bacteriën waarvoor juist het door de planten geproduceerde zuurstof nog extra belangrijk is (anders wordt het een stinkboel). De afvalstoffen verdwijnen als gassen uit het water of worden weer opgenomen door de planten. Planten vormen dus de basis van al het leven in de vijver. En net als in de tuin zorgt ook een variatie in beplanting dat meer dieren er hun habitat kunnen maken.

En het zal misschien eng klinken, maar ook alg hoort er dus bij. Planten en algen concurreren met elkaar, maar in een gezond ecosysteem overwoekert de alg de planten niet. Zolang de onderwaterplanten niet verstikt worden of geen zonlicht meer krijgen dan kan het geen kwaad voor de leefgemeenschap, omdat de ondergedompelde planten (de zuurstofleveranciers) nog steeds kunnen groeien en zuurstof produceren en het voedselkringlooppompje draaiende houden. Een beetje alg is dus alleen storend voor ons oog, niet voor het water!

2: Gebruik ondergedompelde planten

De planten die volledig ondergedompeld in het water leven, zoals glanzend fonteinkruid, waterranonkel, aarvederkruid en waterpest zijn de zogenaamde zuurstofleveranciers. Zoals de naam al doet vermoeden produceren ze dus zuurstof waarop de rest van de vijver leeft (de micro-organismen én de dieren), maar dat niet alleen. Alle stoffen die ze nodig hebben om te groeien halen ze direct uit de vijver. Dat zijn dezelfde stoffen als die algen gebruiken, waardoor ze met elkaar concurreren. Sommige soorten uit deze categorie schijnen ook nog stoffen af te scheiden die algen benadelen, zoals glanzend fonteinkruid. Zeker niet vergeten dus, deze groep! En vergeet ook niet dat ze weer voedsel en habitat vormen voor tal van andere wezentjes en micro-organismen.

3: Moerasplanten houden het water wel schoon vóór ons

Onder de moerasplanten (dus 0 tot -20 cm onder waterniveau) zitten de echte waterzuiveraars. De beste soorten zijn gele lis, kalmoes, lisdodde en riet (hoewel je deze laatste twee liever niet in de vijver zet vanwege hun sterke wortels). Deze soorten zijn de sterkste waterzuiveraars en worden veel toegepast in helofytenfilters (oftewel plantenfilters die water zuiveren). Maar alle moerasplanten halen hun voedingsstoffen uit het water en de bodem, waarmee ze sowieso altijd een bepaalde mate van zuivering vormen. Ze kunnen met hun wortels in het water overleven doordat ze via hun stelen zuurstof naar beneden transporteren of speciale wortels hebben die (deels) boven het water uitkomen. Bij hun wortels leven bacteriën, die om zelf te groeien weer voedingsstoffen uit het water omzetten en dus eigenlijk het feitelijke zuiveringswerk doen. Maar daar stopt het niet. De holle stengels van riet bijvoorbeeld zorgen in de winter voor luchttoevoer naar beneden, zodat het kleine beetje activiteit in de vijver ook dan nog zuurstof krijgt. Moerasplanten vormen ook weer een heel eigen habitat voor een heel scala aan diertjes.

4: Drijfplanten en waterlelies:

Drijvende planten zijn vaak ook goede waterzuiveraars. Maar wat drijvende planten en de grote bladeren van waterlelies ook nog voor de vijver doen, is dat ze het wateroppervlak deels tegen de zon beschermen. Dat is erg nuttig in de zomer, als het heet is en het water opwarmt en verdampt. De bladeren en drijvende planten die het water bedekken zorgen ervoor dat het iets minder snel opwarmt en minder verdampt. Dat is nuttig, want als het water erg warm wordt houdt het minder zuurstof vast, waterorganismen kunnen door de warmte op apengapen komen te liggen en bacteriën gaan zo hard werken dat er niet alleen veel meer zuurstof nodig is (wat juist minder in het water zit), ze kunnen zichzelf ook nog eens overwerken en kapotgaan en door verdamping wordt het water eigenlijk ingedampt: er is minder water, maar er zijn niet minder verontreinigende stoffen en dus gaat de concentratie daarvan omhoog. Met name de afvalopruiming kan het dus zwaar te verduren krijgen bij een flinke hittegolf. Drijfplanten en waterlelies helpen om dat te voorkomen. Niet het hele wateroppervlak moet natuurlijk bedekt zijn, want dan krijgen de onderwaterplanten geen zon meer, maar een deel is op het heetst van het jaar zeker geen overbodige luxe.

5: Denk ook aan de oevers

Heeft oeverbeplanting ook invloed op de vijver? Niet direct, natuurlijk, maar (gedeeltelijke) oeverbeplanting zorgt er wel voor dat dieren als padden, salamanders en kikkers veilig in en uit het water kunnen komen en er meer of beter habitat kunnen vinden. Maar ook boomstammen, een takkenbosje of een stapel stenen vormen interessant habitat.

6: Geen verf

Hou het water schoon. En met ‘schoon’ bedoel ik niet algvrij of troebel, maar het afwezig zijn van chemicaliën, zware metalen en organische verontreinigingen, door troep wat wij erin gooien. Als het kan, vermijdt dan ook stoffen die kunnen uitlogen in het water, zoals koper, zink, behandeld hout en dergelijke. Voorkom dat andere stoffen, zoals schoonmaakmiddelen en zeker insecticiden (die vrijwel altijd giftig zijn voor in water levende organismen) in het water belanden. Ze verstoren het biologisch evenwicht enorm en zijn schadelijk voor dieren. Heldere-vijvermiddelen zijn ook helemaal niet nodig. Ze beloven van alles maar helpen meestal niet of averechts, kunnen zelfs kwaad doen en als ze al werken, dan veroorzaken ze meestal een vicieuze cirkel: je raakt ervan afhankelijk. Echt, je hebt geen chemicaliën nodig om een mooie vijver te hebben.

In het meest schone water zit het meest diverse leven. De meest belangrijke indicatorsoorten zijn haftelarven (van eendagsvliegen), libellenlarven en kokerjuffers (de larven van een aantal soorten motten) en de mate waarin ze voorkomen zegt veel over de kwaliteit. Want juist déze soorten komen niet of maar heel weinig voor in water met kleine verontreinigingen (een heel lichte concentratie zware metalen is bijvoorbeeld al teveel).

7: Niet te gulzig met die vissen

Voor muggenlarven hoef je niet per se vissen te nemen, als de waterkwaliteit maar een beetje goed is dan moeten ze geen probleem vormen. Want ze staan onderaan de voedselketen en worden dus opgegeten door héél veel andere waterbeestjes. Het is eigenlijk simpel: neem niet te veel vissen (en zorg voor veel planten!).

8: Een beetje onderhoud

Een vijver vraagt eigenlijk altijd wel onderhoud. Bedenk daarom goed of je een vijver neemt. Het onderhoud bestaat vooral uit het uit het water vissen van dingen van buitenaf en eventueel alg weghalen. Dingen die van buitenaf komen, zoals bladeren, kun je het beste zo veel mogelijk weghalen. Want al het dode materiaal in de vijver moet worden afgebroken en dat kost zuurstof. Laat de micro-organismen die zuurstof dan liever voor de afvalstoffen van de vijver zelf gebruiken, zodat het een meer gesloten systeem blijft. In het voorjaar kun je alg weghalen (door een (oorspronkelijk schone) wc- of afwasborstel op een stok erin rond te draaien). Het is vooral cosmetisch en een beetje preventief, zodat als de planten opgekomen zijn ze het daarna makkelijk over kunnen nemen. Wat je uit de vijver haalt, kun je als mulch gebruiken rond de vijver (zo komen die voedingsstoffen toch nog van pas).

9: Verversing: moeilijk doen hoeft niet

Verversen van water hoeft niet. In de zomer, bij zware, langdurige hitte kan dat dus wel een risico vormen. Eventueel kan er (schoon regen- of leiding-) water worden toegevoegd. Maar het belangrijkste is dat het water niet stilstaat en daarvoor heb je, en dat klinkt misschien wat tegenstrijdig, echt geen pomp of fonteintje nodig. Dankzij de waterplanten en met name de ondergedompelde planten dankzij hun zuurstofproductie, is er wel degelijk stroming in het water zelfs al zien wij dat niet. Nog een nut dus, voor waterplanten.

10: En vooral: geduld

Een ecologische vijver, zeker zonder pomp, heeft in het voorjaar even wat langer de tijd nodig om op gang te komen voordat die zuurstofmotortjes (de onderwaterplanten dus) weer aanslaan. Afhankelijk van het weer duurt het meestal tot april, soms mei, voordat de vijver weer prachtig helder is. Dat is ook het moment om even op te letten of alg (die eerder ‘wakker’ wordt dan de planten), niet te enthousiast gaat groeien waardoor hij zo nu en dan weggehaald kan worden (de composthoop is er blij mee, trouwens!). Maar als de planten eenmaal aanslaan, dan gaat de helderheid snel omhoog en de algen worden al even snel minder.

Tekst: Iris Veltman van Iris’ Garden Ecology
Foto’s: Wolverlei

Nachtvlinderplanten

Meestal bekijk je de tuin en z’n bewoners overdag. Hooguit zit je, bij aangenaam zomerweer, ‘s avonds nog op het terras. Als het echt donker wordt ga je meestal naar binnen. Toch is de tuin in het donker ook heel spannend. Niet alleen voor de katten uit de buurt maar ook voor nachtvlinders. Er zijn zelfs veel planten speciaal voor aangepast.

Geen kleuren maar geuren

Tegen de avondschemer, als het daglicht verdwijnt, vervagen de meeste kleuren. Veel planten sluiten ‘s nachts hun bloemen of de kleuren zijn niet langer zichtbaar. Bloemen die door nachtvlinders worden bestoven beginnen juist tegen de schemer te bloeien. Terwijl de andere bloemen sluiten, gaan deze pas open. De bloemen zijn vaak wit of bleekgeel en vallen goed op in het donker. Om nachtvlinders te lokken, gebruiken ze ook geur. Tegen de avond beginnen deze planten onweerstaanbaar te ruiken, dat is op een warme zomeravond goed te merken. Denk daarom eens aan het toepassen van nachtbloeiers, daarmee maak je de tuin zelfs interessant als je zelf slaapt.

De leukste nachtvlinderbloem is de Teunisbloem. Het openspringen van een teunisbloem is iets bijzonders en gebeurt in de avondschemer; bij een bewolkte dag iets vroeger. Het duurt een poos totdat de kelkbladen die de bloem ‘gevangen’ houden opeens loslaten, naar achteren klappen en de bloem zich plotseling ontvouwt. Neem gerust een stoel erbij en let goed op. Heel vaak zit je lang te kijken en als je even afgeleid bent, is de bloem opeens open. Het verse stuifmeel is heel kleverig. Soms zijn er meteen nachtvlinders, een andere keer duurt het wat langer. De volgende ochtend, als de zon kracht krijgt, verwelken de bloemen. Het is beslist de moeite waard om eens geduldig naar dit schouwspel te kijken.

Teunisbloem

De anjerfamilie telt diverse nachtvlinderbloemen, denk maar aan zeepkruid, avond- en nachtkoekoeksbloem maar ook blaas-en nachtsilene. Deze laatste twee hebben wat kalk in de bodem nodig. Blaassilene is heel geschikt om op een zonnig (stapel-) muurtje te laten groeien. Zeepkruid is een makkelijke groeier die vroeger voor de zeepproductie gebruikt werd. Flink wat zon bevordert de bloei.

Haast spreekwoordelijk is natuurlijk de wilde kamperfoelie die misschien wel meer romantische paartjes dan nachtvlinders trekt. Deze klimplant moet geleid worden en heeft voorkeur voor een enigszins vochtige en licht beschaduwde standplaats. De geur komt ‘s avonds opeens los.

wilde kamperfoelie

De wetenschappelijke naam ‘Hesperis matronalis’ voor damastbloem zou je kunnen vertalen met ‘deftige dame’. De groeiwijze is wat statig en tegen de avond komt haar ‘parfum’ los. Ze groeit bij voorkeur in de halfschaduw waar de witte bloemen ‘s avonds prachtig oplichten.

(Sier)Tabak.

Siertabak is er in rood, wit en zachtgeel. De hoge wit bloeiende bostabak kan mooi uitgroeien. Vooral de lichtgekleurde soorten zijn voor nachtvlinders interessant.

Doornappel groeide vroeger veel op mestvaalten, maar ook op braakliggende grond en strandjes langs de rivieren. De grote witte bloemen gaan tegen de avond met een schroevende beweging open.

Mottenkruid is een prachtige tweejarige toorts met witte of zachtgele bloemen. ’s Nachts en op een bewolkte ochtend is de fraai behaarde bloem op z’n mooist.

Mottenkruid

Meestal zie je liguster als een gladde, goed gesnoeide haag. De waarde voor nachtvlinders zit vooral in de sterk geurende, witte trossen bloemen. Deze verschijnen begin juli in de struiken die niet voor die tijd geknipt zijn. Knip dus pas na de bloei!

Een bijzondere dagactieve nachtvlinder is de kolibrievlinder. Dit is een trekvlinder die uit het zuiden komt en hier steeds vaker te zien is. Als een echte kolibri staat de vlinder al vliegend stil in de lucht om vervolgens met z’n lange roltong nectar in bloemen op te zuigen. Daardoor valt de vlinder goed op.

Kolibrievlinder

Tekst en foto’s: Machteld Klees, Bureau Zonneklaar

Vijverbeplanting voor dieren

Planten in en rond de vijver vergroten de kans dat dieren er een plekje kunnen vinden. Met een levendige vijver heb je geen vissen nodig tegen muggen – die staan bovenop het menu van menig waterwezen. Waar kun je op letten als je planten zoekt? En wat zijn enkele van mijn favorieten?

Één van de belangrijkste onderdelen van een tuinvijver geschikt voor dieren is dat ze er makkelijk in en uit kunnen. Denk aan kikkers en salamanders, maar ook padden (die zijn niet zo handig) en zelfs egels. Een grote, geleidelijk verlopende vijver is ideaal. Heb je die ruimte niet, dan kun je trappetjes maken van stenen, oude tegels of zelfs gestapelde dakpannen. Het voordeel is dat dat soort materialen ook allerlei schuilplekjes vormen. Borstel ze wel even goed af van tevoren, zodat ze niet allerlei vuil meenemen.

Een ander element waarmee je je vijver aantrekkelijker kunt maken voor dieren is door de omgeving ervan gevarieerd en rijk te maken. Denk aan weelderige beplanting, een insectenhotel of stapel stenen, een takkenril of dood hout, een zanderig stukje – en het liefste allemaal, natuurlijk. Amfibieën bijvoorbeeld kunnen zich daarin verstoppen en ’s avonds eten vinden. Hoe meer variatie, hoe meer kans dat je het verschillende dieren naar de zin maakt. Zo houd ik meestal een deel van de vijver wat meer open, zodat je er vanaf een terras of vanuit huis goed zicht op hebt, maar ook zodat vogels er veilig kunnen badderen zonder beslopen te worden. Door enkele stenen net onder het wateroppervlak te leggen maak je voor hen een perfecte ‘kiddypool‘, een ondiep stukje wat ze prettiger vinden om te gebruiken.

En dan natuurlijk planten. Een ‘groene’ vijver (en dan bedoel ik met planten, niet alg) heeft meer kans dieren te trekken dan een kale; hoewel in die laatste ook zeker amfibieën kunnen wonen. Het voordeel van planten in een vijver is dat ze op een natuurlijke manier het water van zuurstof kunnen voorzien en zo helpen bij het helder houden, maar ook dat ze schuilplekken vormen voor dieren zodat ze minder snel door bijvoorbeeld reigers gegrepen worden. Nog een groot voordeel van planten ín de vijver is dat veel insecten hun eitjes erop afzetten en dat jonge larven zich tussen de blaadjes verstoppen. Waterplanten zijn zo een kraamkamer voor allerlei dieren, zoals waterjuffers. Roofdieren – amfibieën en geleedpotigen – weten dit ook. Die zoeken hier hun maaltje bij elkaar. Tot slot vormen drijvende planten een landingsplatform voor bijen, die op hete dagen graag een slok nemen van koud vijverwater. Vooral mijn waterlelies zijn heel populair onder de bijen in mijn tuin.

Het handigste is een combinatie van verschillende categorieën planten te gebruiken, zodat je meer variatie aanbiedt. Het ziet er vaak ook mooier en natuurlijker uit. De meeste vijversoorten die in de winkels worden aangeboden zijn winterhard.  Die kun je dus gewoon ’s winters laten zitten. Dan gaan ze wel in rust en zie je ze niet, maar in het voorjaar lopen ze weer uit en je kunt ze planten zolang het niet vriest.. Veel drijvende soorten die aangeboden worden vallen hier bijvoorbeeld onder. Ook zijn dit vaak tropisch klinkende planten of soorten zonder Nederlandse naam. Lekker lastig, hè? Ik heb daarom een paar van mijn favorieten hieronder opgesomd. Ze zijn winterhard, vervullen verschillende functies in de vijver en zijn op allerlei manieren nuttig voor dieren.

Ondergedompelde planten

Ondergedompelde planten zijn belangrijke zuurstofleveranciers. Ik zet er al snel aardig wat van in de vijver, want je hebt er niet snel te veel van. Meerdere soorten is het meest veilige, want als er één niet aanslaat, dan ben je niet meteen de belangrijke functie van deze groep kwijt. Dit zijn ook de echte kraamkamer-planten.

Twee van mijn favoriete ondergedompelde planten zijn aarvederkruid en fonteinkruid. Van die laatste zijn er allerlei soorten, maar vaak heb je in de winkel geen of weinig keuze. Zelf heb ik glanzend fonteinkruid, waar ik heel gelukkig mee ben. Deze groeit goed in mijn vijver, die geheel uit regenwater bestaat. In nieuwe vijvers schijnt deze het vaak minder goed te doen, maar dat heeft in mijn ervaring te maken met de hardheid van het water waarmee die gevuld is. Mijn vijver bevatte al snel veel regenwater, waardoor dit geen enkel probleem was. Gekroesd fonteinkruid is ook een goede.

Drijvend fonteinkruid, Potamogeton natans

Drijfplanten en lelies

De beste blijft wat mij betreft de waterlelie. De grote bladeren zijn het perfecte landingsplatform, terwijl ze ook in de zomer een deel van het water afschermen van de zonnestralen, waardoor het minder snel opwarmt en verdampt. Gele plomp is ook een goede, die daarnaast veel bezocht wordt voor zijn stuifmeel en nectar. Waterlelie zelf heeft beperkte nectar en wordt maar soms bevlogen.

Gele lis, Iris pseudacorus

Moerasplanten – sprieten

Moerasplanten verdeel ik voor deze post in drie groepen, want juist hier in de moeraszone geldt: hoe meer variatie, hoe beter. Opgaande planten die met hun spichtige stengels boven het wateroppervlak uitkomen, worden vaak gebruikt door waterjuffers en libellen om hun eitjes op af te zetten. Nadat de larven (gewillige muggenlarven-rovers) meerdere cycli in het water hebben gespendeerd, kruipen ze vervolgens langs de stengels van deze planten omhoog, zodat ze in de zon kunnen drogen en ‘uitsluipen’ zoals bij deze soorten het verpoppen heet.

De inheemse pitrus (Juncus effusus) is voor deze dieren een zeer geliefde plant om te gebruiken. In mijn eigen tuin en in andere zie ik ze er vaak op zitten en het is bij mijn vijver vrijwel altijd dé plant waarop ze uitsluipen. Het enige nadeel is dat deze zich nog wel eens in vochtige plekken rond de vijver wilt uitzaaien, hoewel de jonge planten niet moeilijk te verwijderen zijn. Een andere plant met mooie bloemen en goede bladeren voor uitsluipen is pijlkruid (Sagittaria sagittifolia). Zelf heb ik het liefste inheemse, maar de soorten die meestal worden aangeboden komen uit Azië.

Moerasplanten – helofyten

Onder de moerasplanten zitten de waterzuiveraars. Moerasplanten transporteren zuurstof naar hun wortels, waar bacteriën dat gebruiken om stoffen in het water (die anders ophopen en giftig worden) om te zetten en te verwijderen. Waterzuiveraars hebben als bijkomstigheid dat ze van één of meerdere stoffen veel opnemen. Deze worden helofyten genoemd. Voor de vijver is de (inheemse) gele lis erg geschikt. Deze plant is een belangrijke bron van nectar in het voorjaar. Er worden wel andere lissen/irissen aangeboden, bijvoorbeeld in blauw en wit, maar deze hebben voor zover ik weet geen noemenswaardige waterzuiverende eigenschappen. De langwerpige bladeren van de gele lis worden, net als bij de sprieten in het vorige kopje, gebruikt door insecten om uit het water te kruipen. Hetzelfde geldt voor kalmoes, een redelijk goede waterzuiveraar. Beide planten vormen daarnaast beschutting en schuilmogelijkheden.

Gele lis, Iris pseudacorus

Moerasplanten – kruipers Tussen de sprieten kun je kruipers laten groeien. Dit staat vaak mooier, verzacht de kanten en zorgt voor extra beschutting voor dieren. Knikkend nagelkruid is een inheemse plant die in zowel natte als vochtige aarde goed groeit, zolang de bovenkant van de kluit maar boven het water uitkomt. De bladeren vormen beschutting voor kleine dieren en de bloemen worden bezocht door hommels. Engelse munt is ook een leuk plantje dat heerlijk ruikt als je erlangs strijkt. Hij kruipt tussen de rest door en zelfs het ‘open’ water op. Nog een mooie is moerasvergeet-me-niet. Maar als ik er één mag kiezen, dan is dat Mazus reptans. Dit is een laagblijvende, kruipende plant die goed over randen kruipt, zoals over die van de vijver. De vele kleine paarse, blauwe of witte bloemen verschijnen in mei en juni en worden bezocht door bijen en soms vlinders. Hij is ook goed winterhard, overigens, net als de rest van deze planten. Het enige nadeel is dat hij soms wat moeilijker te vinden is bij kwekers of tuincentra.

Tekst: Iris Veltman van Iris’s garden ecology

Foto’s: Iris Veltman en Martin Stevens