Tekst & beeld: Martin Stevens
Viooltjes zijn prachtige planten en makkelijk te kweken, waardoor er allerlei cultuurvarianten zijn ontstaan in de loop der eeuwen.

Sommige wilde viooltjes zijn één- of tweejarigen – zoals het Driekleurig viooltje en het Akkerviooltje, en een groot aantal zijn vaste planten voor onze omgeving.
Viooltjes zijn vaak prima bosplanten. Maar ook zijn ze belangrijk als waardplant voor insecten. Daar springen de parelmoervlinders wel uit. De Duinparelmoervlinder vliegt als volwassen insect op allerlei bloemen, zoals distels – maar de eitjes worden gelegd op voornamelijk het Duinviooltje.

Je hebt vrij algemene soorten zoals het Bleeksporig bosviooltje, die je in wat rijkere bossen langs bospaden en op open plekken vindt maar het ook prima doet in de stedelijke omgeving. Vaak staan ze tussen stenen en tegels of tegen muren. Dat komt omdat de zaden een mierenbroodje hebben. Mieren die onder stenen hun nest maken nemen de zaden mee voor het ‘broodje’ en verliezen onderweg het zaad – tussen de stenen dus. Van het Bleeksporig bosviooltje heb je ook een donkerbladige vorm, die in de handel foutief ‘Labradorviooltje’ wordt genoemd. Dat is een wilde soort uit Noord-Amerika en hij lijkt er zelfs niet echt op, maar als je het opzoekt op internet kom je veel foute determinaties tegen.

Ook het Maarts viooltje is naast een bosbewoner ook een stadsbewoner. Zelfs in kort gemaaide taluds en plantsoenen bloeien ze heel vroeg in het jaar.
Op wat vochtiger plekken op de heide en in de duinen vind je het Spitsbladige hondsviooltje, dat behoorlijk lang kan doorbloeien in het voorjaar en de zomer.

Het grappige is, en dat geldt voor alle viooltjes, is dat ze voor wat betreft voortplanting met zaden op twee methodes gokken: eerst bloeien ze met bloemen, en in de nazomer en herfst bloeien ze met cleistogame bloemen – er vormt zich een zaaddoos maar er komen geen bloemblaadjes en geslachtsorganen, en in de zaaddoos vormen zich zaden zonder bestuiving. Je ziet dat goed op de foto hieronder, van het Hondsviooltje zonder ‘bloemen’. Heel soms komt er in het najaar toch ook nog een bloem, maar het grootste deel is zaad zonder vader…

In ons gebied komen ook behoorlijk zeldzame tot bijzonder zeldzame viooltjes voor. Het Heidemelkviooltje bijvoorbeeld. Het plantje hieronder is gefotografeerd in een natuurontwikkelingsstukje in de Achterhoek. Er zijn er nog maar heel weinig van.

Nog veel zeldzamer is het Blauwe zinkviooltje of Westfaals viooltje. Niet ver over de grens in Duitsland gevonden in twee oude Romeinse loodmijn relicten. Een variant van het Geel viooltje, een soort uit vooral Midden-Europa waartoe ook ons Zinkviooltje behoort. Of soms weer niet. Planten kunnen nog wel eens wisselen van naam of indeling. Eigenlijk is het dus een ‘Loodviooltje’. Het Zinkviooltje laat zich makkelijk zaaien maar verdwijnt snel uit de tuin. Er lijkt toch een zekere behoeftigheid met de ‘vervuilde’ grond naar zware metalen.

In onze rietmoerassen komt ook een wat zeldzamere soort voor, het Moerasviooltje.

In onze hellingbossen vind je ook het Ruig viooltje, herkenbaar aan de harige bladeren en bladstelen.

De herkenbaarheid van viooltjes kan nog wel eens een punt zijn. Je moet op verschillende kenmerken letten, en dan nog geeft het nogal eens discussie. Vooral het Donkersporig bosviooltje en het Maarts viooltje, die gelijktijdig bloeien en op dezelfde plekken in het wild voorkomen, geven mij nog wel eens verwarring.
Omdat vrijwel alle wilde viooltjes heel concurrentiegevoelig zijn heeft het bij toepassen in tuinen wel enige aandacht nodig. Maar ze doen het vaak goed op lichtbeschaduwde plekken en aan bosranden, maar ook op dakbegroeiingen in de schaduw of op de schaduwkanten van stapelmuurtjes.
Het Hondsviooltje doet het ook in wadi’s, en het Driekleurige viooltje, het Duinviooltje en het Akkerviooltje doen het goed op zonnige zandige plekken. Eenmaal gezaaid doen die laatsten het vaak jaren goed uit zelfgevormd zaad. De wat zeldzamere hebben een echte gebruiksaanwijzing en zullen het niet zo snel langdurig doen op dezelfde plek.
